Foto: Stef Prins

Iedereen floreert in een inclusieve ouderenvriendelijke samenleving

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zette onlangs het vergrootglas op de ouderenzorg in vier landen: Japan, Engeland, Duitsland en Denemarken. Eén van de onderzoekers is Tineke Abma, hoogleraar Ouderenparticipatie en directeur-bestuurder van Leyden Academy on Vitality and Ageing. Wat kunnen we leren van dit onderzoek?

Waarom onderzoek in deze vier landen?
Tineke Abma: ‘Het zijn landen met een vergelijkbare demografische opbouw als in Nederland: een toenemende groep ouderen en een krimpende jongere beroepsbevolking die voor die ouderen kan zorgen. Daarnaast zijn het landen die verschillen in de manier waarop ze de zorg hebben georganiseerd. Engeland is marktgeoriënteerd. Denemarken is een egalitaire samenleving waar vooral de overheid de zorg stuurt. Duitsland kent een hybride model net als wij. Hier bepalen zowel de overheid als de markt de zorg, waarbij het maatschappelijke middenveld een belangrijke rol speelt. En Japan is interessant omdat het als bijna geen enkel ander land een ‘super-ageing society’ is. Er wonen maar liefst 86.000 mensen van 100 jaar en ouder. En ook het respect waarmee ouderen er traditioneel worden bejegend, maakt dat land interessant.’

Dimensies
De vraagstukken waar we als samenleving voor staan bij de ouderenzorg zijn ingewikkeld en moeilijk op te lossen, benadrukt Abma. Een van de belangrijkste conclusies die zij en haar mede-onderzoekers trekken, is: als je beleid ontwikkelt moet je oog hebben voor het evenwicht tussen drie dimensies die daarbij een rol spelen. Het gaat om:

  • De financiële houdbaarheid: blijft de zorg betaalbaar voor de samenleving en voor de individuele burgers?
  • De kwaliteit van zorg: is er deskundig en voldoende zorgpersoneel?
  • De maatschappelijke houdbaarheid: is er draagvlak en vertrouwen voor het zorgbeleid?

Engeland
Abma: ‘Er moet niet een van die drie logica’s domineren. Dan kan het misgaan, zoals in Engeland waar de financiële dimensie is gaan domineren. ‘Daar is het totaal uit balans in vergelijking met de andere landen. In Engeland is er geen steun en veel maatschappelijke woede over het zorgbeleid. Voor de reguliere gezondheidszorg zijn alle Engelsen via belastingen verzekerd. Dat is goed geregeld. Maar social care, welzijn, is geprivatiseerd. Mensen moeten zich daarvoor aanvullend verzekeren. Veel mensen weten dat niet. De consequentie is dat ze, als ze bijvoorbeeld moeten worden opgenomen in een verpleeghuis, hun huis moeten verkopen. Langdurige verpleeghuiszorg valt daar onder de social care.’

Denemarken
Engeland is dus geen lichtend voorbeeld voor Nederland. Denemarken wel, vindt Abma. En daarmee komt ze op een tweede belangrijke conclusie: het belang van het ontwikkelen van een globale langetermijnvisie voor de ouderenzorg. ‘Denemarken kent al sinds 1891 een wet waarin is vastgelegd dat zorg lokaal in de gemeenschap wordt gegeven. En dat is niet alleen fysieke zorg maar bijvoorbeeld ook sociaal-maatschappelijke ondersteuning. Er is daar geen knip tussen zorg en welzijn. Dat zorgt voor stabiliteit omdat dit al jaar en dag de koers is in Denemarken. Het beleid sluit bovendien goed aan bij de egalitaire en democratische cultuur van dat land. Vrouwen werken in Denemarken en dat is mogelijk gemaakt door goede kinderopvang en professionele ondersteuning van ouderen. ’

Nederland
Abma keurt de situatie in Nederland af, in vergelijking met het Scandinavische land. Ze haalt de grote transitie uit 2015 in herinnering. De AWBZ verdween, de Wet langdurige zorg kwam, evenals de Zorgverzekeringswet en de Wmo. ‘Oerdom natuurlijk om toen al die verpleeg- en verzorgingshuizen af te bouwen, zonder dat er tegelijkertijd is geïnvesteerd in zorg en ondersteuning in de lokale gemeenschap. Dat gebeurt nu wel maar daar zijn we rijkelijk laat mee.’

Supermarkt
‘Het is belangrijk om massaal te investeren in lokale zorg- en ondersteuningsnetwerken. Kijk met de lokale gemeenschappen wat bronnen van veerkracht zijn en boor die aan. Kijk ook niet alleen naar de zorg. Je hebt iedereen nodig, zoals woningcorporaties en allerlei soorten dienstverlening.’ Abma benadrukt ook het belang van onvermoede coalities daarbij, bijvoorbeeld de samenwerking tussen zorg, welzijn en bedrijven. ‘Ook de lokale Albert Heijn kan van belang zijn, die kunnen een rol spelen voor ouderen in het opbouwen van lokale gemeenschappen.’

Man en auto
Het punt is dat onze samenleving niet ingericht is voor ouderen, stelt de hoogleraar. ‘Die is vooral ingesteld op de dynamische, jonge en fitte mensen. Kijk alleen maar naar de infrastructuur. Die is gebaseerd op de man in de auto die ergens heengaat. Waarom zijn overal de stoepen zo smal? Dat is in hun blik restruimte. Terwijl voor ouderen, kinderen en mensen met een beperking brede stoepen belangrijk zijn. Iedereen floreert in een inclusieve ouderen-vriendelijke samenleving.’

Stapsgewijs
De toekomst van de ouderenzorg en het maken van beleid is een ingewikkeld probleem, zoals Abma eerder stelde. Dat wil niet zeggen dat het ons mag verlammen omdat we denken dat we het vraagstuk integraal moeten willen oplossen. Dat we daardoor niet meer weten waar we moeten beginnen. ‘Probeer te beginnen met relatief kleine acties, met kleine opbrengsten. Zo leren we stapsgewijs hoe we vorm kunnen geven aan een inclusieve samenleving.’

Gemeenschap
Punt is dat onze samenleving ook lijkt op die in Engeland waar de nadruk ligt op het individu, voegt ze toe. ‘We denken nog te veel in termen van: ‘er is een cliënt die een probleem heeft en daar moet een oplossing voor worden gevonden.’ Nee, we moeten leren denken vanuit netwerken en communities. In de gemeenschap liggen zoveel bronnen van veerkracht.’

Dit artikel van Olaf Stomp is verschenen in MOVISIES nr. 1, maart 2022.

Nieuws berichten 2022



Archief
2021
2020
2019
2018
2017
2016
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009